Uitwedstrijden: waarom de lange rit eigenlijk het beste deel van de zondag is

Written by

in

Zeg nou zelf. Je staat om kwart voor negen buiten, adem damp in de koude lucht, en de bus van Henk staat er nog niet. Drie man leunen tegen de auto van de trainer. Iemand heeft een thermosfles koffie meegenomen die smaakt naar oude rubber, maar je drinkt hem toch op. En dan, als iedereen er eindelijk is en de tassen zijn ingeladen en Davy voor de derde keer gevraagd heeft of hij ook echt moet rijden, begint de uitwedstrijd. Niet op het veld. In de auto. Dat is het moment waarop de zondag echt begint.

Uitwedstrijden hebben een slechte reputatie. Verre reizen, onbekende kleedkamers die ruiken naar vochtige tegels en iemand anders’ linimentolie, een scheidsrechter die duidelijk de buurman is van de thuiskeeper. Maar wie al jaren meegaat weet dat een uitwedstrijd iets heeft wat een thuiswedstrijd nooit helemaal kan evenaren. De club trekt op. Je bent met z’n allen. En dat maakt iets los.

De rit erheen: waar de wedstrijd eigenlijk begint

Niemand schrijft over de rit. Verslagen beginnen altijd bij de aftrap, maar de echte sfeer wordt al gemaakt op de A2, ergens tussen de file en de afslag waar niemand het eens is over de route. Martijn heeft de navigatie op zijn telefoon, maar zijn telefoon is op tien procent. De trainer zit voorin bij de keeper en bespreekt de opstelling op een toon alsof hij denkt dat niemand meekijkt. Iedereen kijkt mee.

In de bus, als er een bus is, gaat het er anders aan toe. Dan zit de jeugdtrainer die toevallig meekomt achteraan met de jongste spelers, en de vaste kern van dertigers heeft het middenstuk. Er wordt geslapen, er wordt geplaagd, er wordt gepraat over dingen die met voetbal niks te maken hebben: een verbouwing, een nieuwe baan, of waarom de kantine vorig seizoen ineens is gestopt met de bitterballen bij de borrel na de wedstrijd. Die bitterballen. Dat gesprek voeren jullie al drie jaar.

Wat de rit doet, is simpel: hij smeedt samen. Je zit dicht op elkaar. Je hebt niks anders te doen. De telefoons gaan weg als het gesprek goed gaat, en soms gaat het gesprek heel goed. Een uitwedstrijd van ver weg is in dat opzicht bijna een teambuilding die je niet hoeft te organiseren. Het overkomt je gewoon, ergens op de snelweg, met slechte koffie in een thermosfles die al te oud is om nog schoon te zijn.

Op vreemd terrein: de kleedkamer, het veld en de thuisploeg

Je komt aan. De parkeerplaats is te klein of er is helemaal geen parkeerplaats, dus je staat langs de kant van een weg die eigenlijk geen parkeerweg is. Iemand zegt dat het wel goed komt. Het komt nooit goed, maar je loopt er toch naartoe. De thuisclub staat al klaar bij de ingang, altijd één man die de weg wijst naar de kleedkamers met de zelfverzekerde houding van iemand die hier elke week staat. Hij kent de drempel. Jij niet.

De uitkleedkamer is altijd net iets minder dan de thuiskleedkamer. Dat is een wet. Minder haken, kouder water, een spiegel die hangt op een hoogte die voor niemand werkt. Maar daar zit ook iets in. Je past je aan. Je hangt je tas ergens neer, je zoekt je plek, en voor je het weet is het toch jouw kleedkamer voor die ene ochtend. De geur van liniment trekt op. Iemand draait muziek. De trainer klopt op de deur en zegt dat het veld nat is en dat jullie daarop moeten letten.

Het veld is altijd anders. Soms groter, soms smaller, soms met een helling die je pas ontdekt als je er al op staat. De zijlijn is soms gewoon een krijtstreep die half is weggeregend. De doelpalen zijn net iets smaller of net iets breder dan je gewend bent, of je verbeeldt je dat terwijl je in de warming-up staat. En dan is er de thuisaanhang. Die langs de lijn staat met de armen over elkaar. Die weten hoe hun veld werkt. Jij niet. Dat is het spel binnen het spel.

Wat je op vreemd terrein leert, is improviseren. Niet op een manier die je kunt uitleggen, maar gewoon: je past je aan. De linksbuiten die thuis altijd dezelfde kant op gaat, gaat nu de andere kant op omdat het veld dat vraagt. De keeper roept harder, want hij kent de akoestiek niet. En de elftalleider, als die er is, loopt twee keer heen en terug naar de kantine omdat hij niet weet waar de reserveballen liggen. Dat hoort erbij.

  • Onbekende kleedkamers vragen om aanpassen, niet om klagen
  • Het veld leer je kennen in de eerste tien minuten van de wedstrijd
  • De thuisaanhang is altijd aanwezig, altijd mening, altijd luid
  • De scheidsrechter kent de thuisclub, of hij kent hem niet, maar je denkt altijd het eerste

Over die scheidsrechter nog even. Bij een uitwedstrijd heb je geen enkele invloed op wie er fluit. Thuis ken je hem misschien, of je kent zijn reputatie, of je weet dat hij vorig jaar bij jullie op het complex heeft gefloten en dat het meegevallen is. Weg is alles onbekend. De grensrechter is soms een speler van de thuisclub die net niet in de selectie zit, en dat merk je aan de vlaggetjes. Maar je speelt door. Je moppert langs de lijn, je kijkt naar de assistent-scheidsrechter alsof hij jou persoonlijk iets heeft aangedaan, en daarna ga je gewoon verder. Dat is amateurvoetbal. Dat is zondag.

De terugrit en de kantine: waarom je het de week erna alweer vergeten bent

De wedstrijd is gespeeld. Gewonnen, gelijkgespeeld, verloren: het maakt voor de terugrit minder uit dan je zou denken. Verloren is stil, dat wel. De eerste tien minuten in de auto zijn soms zwaar. Maar dan zegt iemand iets over die ene fase in de tweede helft, en dan gaat het gesprek toch weer lopen. Gewonnen is lawaaiig. Dan zingt er altijd iemand iets, ook al kan hij niet zingen, en dan is het goed.

Maar het mooiste moment van een uitwedstrijd is de kantine van de thuisclub. Dat klinkt gek, maar het is zo. Je zit daar als bezoeker, je kent niemand, de barkrukken zijn net iets te hoog of net iets te laag, en de koffie is anders dan thuis. Soms beter. Soms veel slechter. Maar je zit er samen. De hele selectie, de elftalleider, de vrijwilliger die is meegekomen omdat hij anders niks te doen heeft op zondag, en die ene vader die zijn zoon altijd volgt ook als het ver weg is.

Wat er in die kantine van de thuisclub gebeurt, is iets wat je moeilijk kunt plannen: je praat met de tegenstander. Niet altijd, maar soms. Je staat aan de bar naast een speler van de thuisploeg en je praat over de wedstrijd, over de scheidsrechter, over het veld. Hij zegt dat jullie beter waren dan verwacht. Jij zegt dat zijn keeper een goede wedstrijd had. Dat is het. Meer hoeft het niet te zijn. Maar het is iets wat je bij een thuiswedstrijd minder snel hebt, omdat iedereen dan zijn eigen groep opzoekt.

De rit terug is korter dan de rit erheen. Dat is altijd zo, ook als het precies dezelfde afstand is. De benen zijn moe, de stemming is ontspannen, en Martijn heeft zijn telefoon opgeladen. De navigatie werkt nu wel. Iemand slaapt al voor ze de snelweg op zijn. De trainer praat nog wat na met de keeper. En ergens in die auto, in die bus, op die terugweg, wordt de wedstrijd al een verhaal. Niet meer een serie van momenten, maar een geheel. Iets wat jullie samen hebben gedaan.

Dat is het met uitwedstrijden. Ze kosten meer moeite. Je staat vroeger op, je rijdt verder, je speelt op een veld dat niet van jou is. Maar ze geven ook meer terug. Niet altijd in punten, niet altijd in een goed resultaat, maar wel in dat gevoel dat je een club bent. Niet alleen een elftal dat op zondag bij elkaar komt en daarna weer uit elkaar gaat. Een club die samen op pad gaat, samen terugkomt, en de week erna alweer staat te wachten op de volgende uitwedstrijd.

Want dat is wat er gebeurt. Je bent maandag nog een beetje moe, je hebt dinsdag nog een lichte pijn in je bovenbeen, en woensdag kijk je al naar het programma voor de volgende zondag. En als het een uitwedstrijd is, ver weg, met een vroege vertrektijd en een veld dat je niet kent, dan is er ergens een klein gevoel van: goed. Dan wordt het wat.

Zo werkt het. Al twintig jaar. Altijd hetzelfde, altijd net iets anders. De thermosfles koffie staat al klaar.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *