Uitwedstrijd met de bus: alles wat je weet maar nooit opschrijft

Written by

in

Je kent het gevoel. Het is kwart over acht ‘s ochtends, het regent licht, en je staat op een parkeerplaats bij een benzinestation aan de rand van de stad te wachten op Davy die “er bijna is”. De bus staat al te draaien. De chauffeur kijkt op zijn horloge. Jij ook. Dit is uitwedstrijd met de bus, en er is geen enkel ander ritueel in het amateurvoetbal dat zo veel herinneringen oplevert en zo weinig wordt opgeschreven. Dat gaan we nu rechtzetten.

De voorbereiding: wie regelt wat en wie vergeet wat

Een uitwedstrijd begint niet op het moment van aftrap. Hij begint ergens in de week ervoor, als jij als elftalleider of contactpersoon de bus moet regelen. En dat klinkt eenvoudiger dan het is. Want eerst moet je weten hoeveel man er meegaan. Spelers zijn er altijd bij, maar dan heb je de supporters, de vaste opa van Kees die nooit een wedstrijd mist, en de vriendin van de nieuwe linksback die voor het eerst meegaat en er eigenlijk niet op had gerekend dat het zo vroeg zou zijn.

Je belt rond, je stuurt een berichtje in de groepsapp, en je krijgt reacties die variëren van een duimpje tot “hangt ervan af”. Op basis van die informatie moet jij een bus bestellen. Te groot is zonde van het geld. Te klein en je staat zelf op de stoep. De gouden middenweg bestaat niet, maar je kiest hem toch elke keer weer.

Dan de vertreklocatie. Die is altijd “bij het veld” of “bij de Aldi”, en toch staat er altijd iemand op de verkeerde plek. Davy staat bij de Aldi, maar de Aldi is verplaatst en Davy staat nu voor een rijschool. Niemand weet hoe dat kan. De chauffeur rijdt er een rondje omheen. Uiteindelijk stapt Davy in, licht bezweet, met een broodje in zijn hand dat hij onderweg heeft gehaald. Vertrek: acht minuten later dan gepland.

Onderweg: de hiërarchie van de bus

In de bus bestaat een ongeschreven orde. Achterin zitten de jongste spelers, de grappigsten, de luidsten. Zij bepalen de muziek via een Bluetooth-luidsprekertje dat ze zelf hebben meegenomen, want de bus heeft geen geluid of de chauffeur wil het geluid niet aan. Halverwege de bus zitten de veteranen, de mannen van dertig-plus die eigenlijk liever met de eigen auto waren gegaan maar toch zijn meegegaan “voor de sfeer”. Zij slapen of staren naar buiten.

Voorin zitten de functionarissen. De trainer, de elftalleider, de een of andere bestuurder die er toevallig bij is. Zij praten over de opstelling, over de tegenstander, over het veld waarvan iemand heeft gehoord dat het “een modderpoel” is. Die informatie klopt altijd. Het veld is altijd een modderpoel of juist betonhard. Er bestaat geen middenweg, ook niet bij velden.

Ergens na een halfuur rijden stopt de bus bij een tankstation. Dat was niet gepland. De chauffeur moet tanken, of iemand moet nodig, of er is gewoon een collectieve behoefte aan koffie en een Mars. Dit is het moment waarop de tijdsplanning definitief loskomt van de realiteit. Je had om tien uur willen aankomen om rustig in te spelen. Het wordt kwart over tien. De warming-up wordt korter. De trainer past zich aan en zegt dat hij dat eigenlijk altijd al wilde.

De gesprekken in de bus zijn goud waard als je ze zou opschrijven. Maar niemand schrijft ze op. Er worden wedstrijden van tien jaar geleden naverteld. Er wordt gediscussieerd over of de scheidsrechter van vorige week nou echt zo slecht was of dat het aan jullie lag. Er wordt gesproken over de zaterdag-afdeling van de club, altijd met een lichte ondertoon van “wij doen het met minder”. Dat gevoel bindt. Dat is wat de bus doet: hij maakt van een groep individuen even een ploeg, nog voor er een bal is gerold.

Op het veld: de uitwedstrijd zelf

Aankomen bij een vreemde accommodatie heeft iets eigens. Je parkeert, je stapt uit, je kijkt om je heen. De kleedkamers zijn altijd kleiner dan thuis. Altijd. Er hangt een geur van oude voetbalschoenen en iets wat op dennenboom lijkt maar het niet is. De haken zitten scheef of er zijn er te weinig. Iemand legt zijn tas op de grond en klaagt. De trainer vraagt om stilte en krijgt die na dertig seconden.

Het veld is inderdaad modderig. Of betonhard. Je wist het al.

De tegenstander staat al op te warmen als jullie het veld oplopen, en dat geeft altijd een licht ongemakkelijk gevoel, alsof je te laat bent op een feestje. Dat ben je ook. De warming-up duurt zeven minuten in plaats van vijftien, wat de trainer “geen probleem” noemt maar wel degelijk zijn gezicht betrekt.

Dan de scheidsrechter. Bij uitwedstrijden valt de scheidsrechter altijd anders op dan thuis. Dat zit hem niet in zijn kwaliteit, maar in het perspectief. Thuis sta jij langs de lijn en zie jij elke beslissing van dichtbij. Uitwedstrijd sta je aan de andere kant, ver van de actie, en moet je vertrouwen op wat je ziet. Dat vertrouwen is er niet altijd. De grensrechter van de thuisclub steekt zijn vlag op voor een buitenspel die er van jouw kant niet uitziet als buitenspel. Maar dat is altijd zo. Dat weet je. Je roept toch iets.

De wedstrijd zelf is wat hij is. Soms win je, soms verlies je, soms speel je gelijk en is iedereen licht ontevreden. Maar de wedstrijd is eigenlijk het minst interessante deel van de dag. Dat klinkt gek voor een voetbaldag, maar het is zo. De wedstrijd is het midden van het verhaal. De bus is het begin en het einde.

Na afloop schud je handen, je loopt naar de kleedkamer, je doucht of je doucht niet want de douches zijn koud of er is geen warm water of iemand heeft de kraan al leeggetrokken. Je trekt je kleren aan, je pakt je tas, en je loopt naar de kantine van de tegenstander.

De kantine van de tegenstander: het echte eindpunt

Hier moet ik even de tijd voor nemen. Want de kantine van de tegenstander is een wereld op zich. Elke kantine ruikt anders, maar ze ruiken allemaal hetzelfde. Bier, frikandel, een vleugje frituurvet. Er staat een man achter de bar die je niet kent maar die je behandelt alsof je er altijd al bent geweest. Dat is het mooie aan amateurvoetbal: de kantine van de tegenstander is altijd een beetje jouw kantine.

Je bestelt een koffie die je niet had moeten bestellen, want hij is te dun en te heet en hij zit in een bekertje dat meteen doorbuigt als je hem vasthoudt. Maar je drinkt hem op. Altijd.

De gesprekken na de wedstrijd zijn anders dan die ervoor. Er is minder spanning, meer ruimte. Spelers van beide teams staan door elkaar. Er wordt gelachen om een moment uit de wedstrijd. Iemand van de tegenstander zegt dat jullie een goede ploeg zijn, en dat meen je ook als je het terugzegt. Dat is geen beleefdheid. Dat is het.

De elftalleider telt de mensen. Want de bus gaat. En de chauffeur heeft een volgende rit. En Davy is nergens te bekennen, maar dat is hij nooit op het moment dat je hem nodig hebt.

De terugreis is stiller. De muziek staat zachter of helemaal niet. De veteranen slapen nu echt. De jongsten scrollen op hun telefoon. De trainer kijkt uit het raam en denkt aan de volgende training. Jij schrijft in je hoofd al het verslag.

Want dat is wat je doet. Je bent de man die het opschrijft. De wedstrijd, de bus, de koffie, de scheidsrechter, de kantine. Al die dingen die iedereen meemaakt en niemand vastlegt. Jij wel. En dat is precies waarom mensen het blijven lezen.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *