Uitwedstrijden op de klei: alles wat je als elftalleider moet regelen

Written by

in

Je kent het gevoel. Het is zaterdagavond, je hebt net de opstelling doorgestuurd, en dan krijg je een appje van de keeper: “Ik kom morgen met mijn eigen auto, want ik moet daarna naar mijn schoonmoeder.” Dan van de linksback: “Kunnen we later vertrekken? Ik moet nog tanken.” En van die ene spits die altijd te laat is: helemaal niks. Uitwedstrijden. Ze zijn heerlijk en verschrikkelijk tegelijk. Als elftalleider heb je er twintig jaar lang mee geworsteld, en als je nu langs de lijn staat te schrijven, zie je nog steeds hoe het bij andere ploegen misgaat. Dus laten we het er eens goed over hebben: wat komt er allemaal kijken bij een uitwedstrijd in de zondagcompetitie, en waarom is het eigenlijk een kunst op zich?

De logistiek: van carpoolen tot aankomsttijd

Het begint al een week van tevoren. De wedstrijdlocatie opzoeken, uitzoeken hoe ver het rijden is, en dan de grote vraag: rijden we met eigen auto’s of regelen we een bus? Een bus klinkt feestelijk, maar in de vierde klasse heb je zelden een budget voor een touringcar. Dus wordt het carpoolen. En carpoolen is een project.

Je maakt een schema. Drie auto’s, vier spelers per auto, één keeper met zijn eigen plan. Je stuurt het schema rond. Iemand reageert meteen: “Ik pas niet bij Henk, want die rookt in de auto.” Henk zegt dat hij al jaren niet meer rookt. Discussie volgt. Uiteindelijk rijdt iedereen met wie hij wil, het schema was toch voor de show.

Wat je als elftalleider echt moet weten:

  • Reken altijd een halfuur extra reistijd in. Altijd.
  • Spreek een verzamelpunt af bij de club, niet bij het uitveld. Anders staat de helft van het elftal al op de parkeerplaats van de tegenstander terwijl de rest nog ergens op de snelweg staat.
  • Stuur de dag ervoor het adres van het veld nog een keer rond. Navigatiesystemen sturen mensen soms naar een weiland of een industrieterrein. Vraag maar aan Daniël, die arriveerde ooit twintig minuten te laat omdat hij bij een manege stond.
  • Vraag de thuisclub van tevoren of er voldoende kleedkamers zijn. Bij kleinere clubs is de bezetting soms krap, zeker als er meerdere wedstrijden tegelijk zijn.

De aankomsttijd is heilig. Vijfenveertig minuten voor de aftrap is het minimum. Niet voor de warming-up, want die doet de trainer toch pas op het laatste moment. Maar voor de rust. Voor het uitpakken van de tas, het vinden van de kleedkamer, en het eerste contact met de scheidsrechter. Want die wil de spelerspassen zien, en als jij die vergeten bent, is er een probleem.

De tas. Laten we even stilstaan bij de tas. Als elftalleider ben jij degene die de tas draagt. Daarin zitten: spelerspassen, reserveshirts, scheenbeschermers van iemand die ze altijd vergeet, pleisters, tape, een reservebal die iets te zacht is, en ergens onderin een energiereep uit het vorige seizoen. De tas weegt vijftien kilo. Je sjouwt hem van de auto naar de kleedkamer en terug. Na twintig jaar heb je een scheve schouder. Dat is het badge of honour van de elftalleider.

Aan de lijn: het veld, de scheids en de koffie van de thuisclub

Eenmaal aangekomen begint de echte uitwedstrijd-ervaring. Je loopt het veld op, kijkt naar de grasmat of de kleistrook die ze hier een veld noemen, en je weet al hoe de middag gaat verlopen. Klei is klei. In het najaar is het een modderpoel, in het voorjaar iets minder. De bal stuitert anders, de spelers glijden makkelijker, en na afloop ziet iedereen eruit alsof ze een dag bij een aardappelboer hebben gewerkt.

De scheidsrechter is al aanwezig. Je loopt naar hem toe, geeft hem de spelerspassen, en er volgt altijd een kort gesprek. Soms is het een ervaren fluitist die je al jaren kent. Soms is het een jongen van zeventien die net zijn diploma heeft gehaald en er zichtbaar zenuwachtig bij staat. Met die laatste heb je eigenlijk meer medelijden dan irritatie, al duurt dat gevoel soms maar tot de eerste discutabele beslissing.

Langs de lijn is het anders dan thuis. Thuis ken je de hoeken, je weet waar de wind vandaan komt, en de kantinemevrouw geeft je altijd een gratis koffie. Uitwedstrijden zijn onbekend terrein. Letterlijk. Je staat aan de verkeerde kant, de zon staat verkeerd, en de koffie kost gewoon twee euro.

Die koffie, trouwens. Elke kantine heeft zijn eigen karakter. Bij sommige clubs is het filterkoffie van een apparaat dat al dertig jaar dienst doet, en smaakt het naar gebrande aarde. Bij andere clubs hebben ze een van die moderne machines die ook cappuccino en latte macchiato kunnen maken, en voelt het alsof je in een koffiezaak staat. De meeste elftalleiders nemen wat er is. Je bent op uitwedstrijd, je bent gast, je klaagt niet over de koffie. Tenminste, niet hardop.

Wat je langs de lijn altijd meemaakt bij uitwedstrijden:

  • De grensrechter van de thuisclub die bij elke twijfelgeval de vlag voor de thuisploeg opsteekt. Dat hoort erbij. Klagen helpt niet.
  • Supporters van de thuisclub die vlak achter jou gaan staan en commentaar geven op alles wat jouw ploeg doet. Soms vriendelijk, soms minder.
  • De thuiscoach die langs de lijn harder schreeuwt dan jij en er totaal geen moeite mee heeft om de scheidsrechter aan te spreken. Dat is zijn thuis, zijn recht.
  • Het moment waarop je niet meer weet of je nu op de helft van de thuisploeg of de uitploeg staat, omdat er in de rust van kant is gewisseld en niemand het je heeft verteld.

De rust is een bijzonder moment. Je loopt naar de kleedkamer, de trainer zegt zijn verhaal, en jij zorgt dat de schijfjes sinaasappel er zijn. Of de bananen. Of de energiedrank die de spelers zelf meenemen. De kleedkamer van de thuisclub is altijd net iets beter dan die van de bezoekers. Dat is geen toeval. Dat is traditie.

Na afloop: handen schudden, douchen en de rit terug

Het eindsignaal klinkt. Gewonnen, verloren of gelijkgespeeld, het maakt voor de volgende tien minuten weinig uit. Handen schudden. Dat is het eerste. Beide elftallen, de scheidsrechter, de grensrechters. In de zondagcompetitie doe je dat nog gewoon. Het is een ritueel dat je niet overslaat, ook niet als je net een pijnlijke nederlaag hebt geleden en de scheidsrechter in de tweede helft twee keer een foute beslissing heeft genomen.

Dan de kleedkamer. Douchen bij een uitwedstrijd is altijd een avontuur. Soms is het water lauw omdat de boiler het net opgeeft na de eerste acht man. Soms is er maar één douchekop voor veertien spelers. Soms is het water juist kokend heet en moet je voorzichtig instappen. Maar je doucht. Altijd. Wie met modder op zijn benen in de auto stapt, krijgt het nooit meer uitgelegd aan de eigenaar van de auto.

Na het douchen is er in de meeste gevallen een drankje in de kantine. Dat hoort bij de zondagcompetitie. Niet bij elke club is het even warm, maar de meeste clubs ontvangen de bezoekers fatsoenlijk. Een pils, een fris, een kroket als het meezit. Je praat even met de mensen van de andere club. Over het veld, over het seizoen, over de scheidsrechter. Nooit te lang over de wedstrijd zelf, want dan worden de wonden van de verliezende partij te vers.

De rit terug is rustiger dan de heenrit. Er is minder spanning. Wie gewonnen heeft, is opgeruimd. Wie verloren heeft, zit stil of moppert een beetje. De chauffeur zet muziek op. Iemand valt in slaap. Bij een wegrestaurant langs de snelweg stopt soms een auto voor friet, ook al is het pas vier uur ‘s middags. Dat is ook een traditie.

Wat je als elftalleider na de wedstrijd nog moet doen:

  • De spelerspassen terugkrijgen van de scheidsrechter en tellen of je ze allemaal hebt.
  • De tas controleren: zijn de shirts terug, zijn de scheenbeschermers van die ene speler er weer in gestopt?
  • Het wedstrijdformulier invullen of controleren, afhankelijk van hoe dat bij jullie geregeld is.
  • De score doorgeven aan de secretaris, want die wacht er altijd op.
  • Thuis de was doen van de shirts als jij degene bent die ze mee naar huis neemt.

Uitwedstrijden zijn meer werk dan thuiswedstrijden. Ze kosten meer energie, meer planning, meer geduld. Maar ze geven ook iets terug. Je ziet andere velden, andere kantines, andere mensen die net zo gek zijn op dit spel als jij. Je rijdt twee uur voor een wedstrijd van negentig minuten op een kleiveldje ergens achter een dijk, en toch wil je nergens anders zijn. Dat is zondagvoetbal. Dat is waarom je het doet.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *